Een vrouw loopt de hele dag rond met een sesamzaadje in de achterkant van haar bovenarm gedrukt. Een collega ziet het, maar zegt er niets van. Tegen het eind van de werkdag lijkt de collega uit elkaar te springen en struikelt ze over een heel laag drempeltje. Ze kijkt achter zich. Het drempeltje heeft een lichte glooiing. Het is een oud stenen drempeltje in het gebouw waar al heel lang heel veel mensen werken. Op het binnenplein steekt een sprietje tussen twee tegels uit. Aan het sprietje is een reep plastic van een zakje nootjes of gedroogde pruimen blijven hangen. De wind waait, waardoor het reepje trilt alsof die zich in opperste vervoering bevindt. Het is een heel grappig gezicht. De collega voelt aan haar telefoon, alsof ze er een story van wil maken. Maar het was alleen maar een reflex, ze wil het niet echt want het zet haar te veel aan het denken over de dingen waar ze haar aandacht aan geeft.
Ondertussen heeft de vrouw met het zaadje het koud. ‘Het is killig,’ zegt ze tegen een andere collega. Die wrijft zich over de armen en zegt, ‘we hebben chance dat we een airco hébben. Maar die lui van gebouwregie hebben de regelaars in de hoofdzetel geïnstalleerd. Dus zij kiezen onze temperatuur, terwijl hun kantoren altijd zon hebben.’ De collega met het zaadje zegt; ‘Het is bouwregie, niet gebouwregie. Ik denk trouwens dat het de ondermanager is die aan de temperaturen kan.’
‘Die met dat zijden hemd de hele tijd?’
‘Tja’, de collega met het zaadje maakt een hulpeloos gebaar en wandelt verder. De andere collega kijkt haar na, maar kijkt niet echt. Haar vingers glijden naar haar telefoon en ze typt ‘beestjes onderkant blad’, maar wordt dan aangesproken door de floormanager die wil weten of ze haar cotidiënt-triangule al heeft afgewerkt of zo iets.
Zo zal het er wel ongeveer aan toe gaan voor mensen die in een groot gebouw werken, zo denkt de schrijfster. Het gebouw heeft sterk weerspiegelende ramen. Iedereen die voorbij wandelt en zich uitstrekt om naar binnen te kijken ziet zijn eigen gezicht, helemaal vol met sproeten van vuiltjes die zich in het speciale glas hebben vastgebeten.
Uit de draaideur stromen met grote regelmaat mensen met een volmaakt neutraal gezicht. Niet robotachtig of zoals in een thriller over communisten, maar met een weelde. Met iedere slag van de draaideur fluit de wind door de vernauwde kier. De borstels strelen de glazen koker, strekken zich plots aan de lucht en plooien zich met een doffe bons tegen de rand waar ze verdergaan met vegen. Zo wordt het ronde glas gladgeveegd, de hele dag lang.
De mensen die naar buiten gaan zijn nog helemaal fris en wandelen met deze geheime weelde weg. Als je heel goed kijkt zie je een kleine siddering door hun lichaam trekken. Een siddering zoals bij eenden nadat ze aan wal zijn gegaan en enige waterparels van zich af schudden.
‘Waar zou het sesamzaadje nu zijn?’ vraagt de collega zich af.
De schrijfster vraagt zich af; ‘Slapen zij allemaal onder een wit donsdeken?’